Il Trovatore

De troubadour

Il Trovatore is eveneens een opera van de componist Giuseppe Verdi en is gebaseerd op het Spaanse treurspel El Trovador van Antonio Garcia Gutierez.

De tekstschrijver van Verdi, Salvatore Cammarano, was reeds in 1850 verzocht om het treurspel te bewerken voor de opera. Cammarano heeft zich nauwkeurig aan het oorspronkelijke drama gehouden. Veel is daardoor in een sfeer van duisternis gehuld.
Het is een voorbeeld van een “romantisch” stuk vol theatrale effecten, met weinig opbouw.

Verdi heeft zich echter door situaties en karakters laten inspireren. De kracht van de hartstocht tussen de hoofdpersonen, wordt op een kernachtige muzikale manier weergeven en overweldigt de toehoorder. Er is geen toeschouwer te bedenken, die nadat hij de opera onvoorbereid heeft gezien, heeft begrepen waar het eigenlijk om gaat in “Il Trovatore”. Toch is iedereen geboeid door de overtuigingskracht van de individuele scènes, die zo sterk is, dat men de vraag naar de samenhang vergeet.
De eerste uitvoering vond plaats op 19 januari 1853 in het Apollotheater te Rome.

Inhoud:
De opera speelt zich af in Spanje omstreeks 1410. Er is een burgeroorlog gaande tussen Aragon en Biscaye,vroeger zelfstandige koninkrijken op Spaanse bodem. De troepen staan onder bevel van respectievelijk de graaf van Luna en de graaf van Urgel.

Eerste akte
In de omgeving van een voorplein van een Spaans paleis, houdt graaf Luna onrustig de wacht onder de vensters van de door hem aanbeden Leonara. Intussen vertelt zijn schildknaap Ferrando van het tragisch lot dat de familie Luna getroffen heeft Een oude zigeunervrouw werd door de familie Luna op de brandstapel gegooid omdat zij hun zoontje behekst zou hebben.

Om wraak te nemen stal de dochter van de zigeunerin, Azucena, het behekste jongetje met de bedoeling hem op de brandstapel te gooien, maar in haar verwarring verbrandde zij haar eigen kind. Leonora wacht, verlangend op de aankomst van een vreemdeling, op wie zij tijdens een toernooi verliefd is geworden. Eindelijk hoort zij de liefdesliederen van de troubadour. Ook Luna hoort het. De troubadour Manrico en graaf Luna raken in een gevecht verwikkeld.

Tweede akte
Naast het kampvuur van het zigeunerkamp zit de zigeunerin Azucena. De flakkerende vlammen roepen herinneringen bij haar op, zij denkt aan de dood van haar moeder. Haar zoon Manrico hurkt aan haar voeten. Hij heeft in het gevecht de graaf overwonnen, maar in een plotselinge opwelling van onverklaarbare gevoelens, niet kunnen doden. Een bode brengt Manrico het bericht dat Leonare, ervan overtuigd dat hij dood is, in een klooster wil gaan. Manrico neemt afscheid van zijn moeder en snelt weg.

Luna heeft eveneens van het plan van Leonare gehoord en staat met zijn mannen klaar om haar te ontvoeren. Ook hij houdt Manrico voor dood. De vervulling van zijn wensen schijnt nabij te zijn. In de kruisgang van een klooster schrijdt Leonare naar het altaar. Dan wordt de stoet onderbroken door graaf Luna, die Leonare wil ontvoeren. Maar op hetzelfde ogenblik verschijnt ook Manrico, aan het hoofd van zijn getrouwen. Terwijl de beide groepen met elkaar in gevecht gewikkeld zijn, vlucht Manrico met zijn geliefde.

Derde akte
Het veldleger van Luna, bereidt zich voor op een stormaanval op de burcht, waarin Leonore en Manrico zich verschanst hebben. De soldaten slepen een zigeunerin aan, die zij opgepakt hebben. De schildknaap, Fernando, herkent in haar de zigeunerin die het “behekste jongetje” uit zijn wieg ontvoerd heeft. In haar hoogste nood roept Azucena de naam van haar zoon: Manrico! Nu heeft de van haat vervulde Luna een dubbele reden om haar te doden. Manrico hoort van de gevangenschap van zijn moeder en verandert in een staalharde strijder en zijn liefdeslied gaat over in een in zijn eenvoud indrukwekkend strijdlied. Manrico wordt echter gevangen genomen en verblijft met zijn moeder in een onderaardse kerker van Luna’s slot. Ze wachten op hun terechtstelling.

De enige prijs waarvoor Luna bereid is het leven van Manrico te sparen is de liefde van Leonore. Leonore stemt toe, maar heimelijk neemt zij het vergif in, dat zij verborgen in haar ring, heeft meegebracht. Leonore treedt de cel van Manrico binnen en smeekt Manrico van zijn vrijheid te gebruik te maken. Maar als zij hem niet wil volgen gelooft Manrico dat zij hem en zijn liefde verraden heeft. Pas als Leonore stervend aan zijn voeten neerzinkt, begrijpt Manrico de waarheid. Luna merkt dat hij bedrogen is en laat de troubadour alsnog terechtstellen. Triomfantelijk laat Luna aan Azucena haar aan het venster het voltrokken vonnis zien. De laatste woorden van de zigeunerin, die tevens het einde van de opera vormen zijn: “Hij was uw broeder”.

De eerste uitvoering in 1853 in Rome werd een groot triomf.
Binnen twee jaar was “Il Trovatore”, in alle belangrijke steden ter wereld vertoond, zowel in Europa als in Amerika. Met deze opera is er een eind gekomen aan de serie van de Italiaanse opera’s van Verdi, allen zijn geselecteerd aan de hand van de straatnamen in het “Italiaanse” gedeelte van Blixembosch.

Er is hoofdzakelijk aandacht besteed aan de inhoud van de opera’s, zodat men enigszins een beeld heeft kunnen vormen over de geschiedenis, behorend bij de straatnaam.

Elleke Doeve

Othello

De laatste 3 opera’s van Verdi (Aïda, Othello en Falstaff) zijn altijd populair gebleven, net als de eerste drie uit zijn volwassen jaren (Rigoletto, Il Travotore en La Traviata).

In de afgelopen vijftig jaar werd Verdi pas echt op waarde geschat als de grootste vertegenwoordiger van de kunst van het drama per musica. In Othello kwamen alle muzikale en dramatische talenten van Verdi samen. Verdi’s Othello was net zo’n groot meesterwerk als de Othello van Shakespeare.

Van de talloze premières in de geschiedenis van de opera moet die van Othello, op 5 februari 1887 in de Scala van Milaan, een van de indrukwekkendste en meest bijzondere zijn geweest. De meester had waarschijnlijk voor de allerlaatste keer (hierna heeft hij echter tot ieders verrassing Falstaff als laatste opera op zijn naam staan) zijn pen weer opgepakt. Hij was zelf naar Milaan gereisd om de uitvoering te regisseren.

Inhoud:
De opera Othello is opgebouwd uit vier akten, gebaseerd op het meesterwerk van de auteur William Shakespeare, bewerkt door Arrigo Boito. Het speelt zich af in een havenstad op het eiland Cyprus aan het eind van de 15e eeuw.

Eerste Akte:
Tijdens een hevige storm op zee, ziet een angstige menigte toe, hoe de (Venetiaanse) vloot onder leiding van opperbevelhebber Othello de haven binnenvaart. Othello, de dappere overwinnaar van de Turken en gouverneur van het eiland Na aankomst klaart het weer op en gaat de bevolking opgelucht naar huis. Alleen enige officieren blijven achter, onder wie Jago, een jaloers en kwaadaardig man. Hij is jaloers op het feit dat Cassio altijd bevoorrecht wordt en zorgt ervoor dat Cassio dronken wordt en met zijn wapens de wacht te lijf gaat. Othello laat Cassio ontwapenen en degraderen. Teneer geslagen en bezorgd over het voorval blijft Othello op het paleisterras achter. Othello, de donkere moor van Venetië, laat zich onder gezelschap van zijn blonde vrouw Desdemona geruststellen.

Tweede Akte:
Jago maakt zich zogenaamd bezorgd over het lot van Cassio en raadt hem aan zich tot Desdemona te wenden. Intussen weet Jago met vage toespelingen bij Othello, Othello enigszins jaloers te maken. Als Desdemonna, kort daarna haar echtgenoot vraagt om Cassio te willen vergeven, begint de jaloezie minder vaag te worden. Hij wijst het verzoek van zijn vrouw af en wordt somber en gesloten. Desdemona denkt dat Othello ziek is. Othello is echter gek van jaloersheid. Hij begint door toespelingen van Jago steeds sterker aan de ontrouw van zijn vrouw te denken en geknield in gezelschap van Jago zweert hij wraak te zullen nemen.

Derde Akte:
Het geluk tussen Othello en Desdemona schijnt weer teruggekeerd te zijn. Maar Desdemona brengt in haar onschuld het gesprek opnieuw op Cassio. Onmiddellijk verandert Othello in een woedeuitbarsting. Intussen weet Jago in het bezit te komen van een zakdoek van Desdemona en de handen van Cassio te spelen als Othello toevallig in de buurt is. Othello kan zijn verdriet en boosheid niet meer inhouden en sleurt Desdemona over de grond tijdens een feestelijke bijeenkomst. Even later ligt Othello gebroeken op de vloer. Als iedereen zich teruggetrokken heeft, verschijnt Jago en zet de bewusteloze Othello, die door het volk als de “leeuw van Venetië” wordt toegejuicht, spottend een voet op de borst.

Vierde Akte:
Diep wanhopig over de onbegrijpelijke houding van haar echtgenoot heeft Desdemona zich teruggetrokken in haar slaapvertrek. Ze denkt terug aan de dagen van haar jeugd en een lang vergeten melodie komt in haar op : de melodie van het lied van de wilgenboom, een ontroerende volksmelodie (inmiddels beroemd als het wilgenlied). Haar kamenier, Emilia weet haar niet te troosten. Even later komt Othello het slaapvertrek binnen, aangezien zij niet haar onschuld kan bewijzen, wurgt hij haar. Terwijl zij sterft, vertelt de kamenier hoe Desdemonna haar zakdoek verloren heeft. De zakdoek, die in handen is gekomen van Jago en door gegeven is aan de zogenaamde minnaar van Desdemona, de gedegradeerde Cassio. Na het verhaal van Emilia, doorsteekt Othello zich en neemt Jago de vlucht.

Francesco Tamagno ( 1850-1905) vertolkte in de 1e uitvoering de rol van Othello, hij was degene die met zijn stem zich verstaanbaar kon maken terwijl het orkest op volle sterkte speelde. Deze wat trompetachtige stem was nieuw in de Italiaanse opera. Vanwege de stem van Tamagno is Othello altijd een rol gebleven, die slechts is weggelegd voor de grootste tenoren.

Tijdens de opvoering in het Scala van Milaan was de hele wereldpers aanwezig. De opera opende niet zoals gewoonlijk (zonder prelude, zonder ouverture). Het gordijn ging onder de tonen van schitterend koper omhoog en onthulde de grootste storm die er ooit op het toneel had plaatsgevonden. Vanaf dat onvergetelijke begin tot aan Desdemona’s “Wilgenlied” en het “Ave Maria” in de laatste tragisch eindigende scène was Othello een doorslaand succes. Verdi werd zowel in het theater als op straat uitbundig toegejuicht. De correspondent van de Musical Times meldde: “Na elke akte haalden twee van de hoofdrolspelers Verdi een paar keer het toneel op, waarna Verdi, misschien om te laten zien dat hij er genoeg van had, alleen naar voren kwam, met zijn hoed in zijn hand en zijn overjas dicht om zich heen.”

Elleke Doeve

Tovermolen

Sakardja de haan

De tovermolen is in de reeks sprookjes de aller-aller-laatste.
De straat ligt rechts in de cirkel die de “sprookjesstraten” scheidt van de “Engelse straten”. Oorspronkelijk zou de hele cirkel tovermolen hebben geheten. Nu tekent Roald Dahl voor de andere helft en gelet op zijn sprookjesachtige werk is dat een goede keuze.

De straatnamencommissie van de gemeente Eindhoven heeft het mij wat betreft de sprookjes niet altijd gemakkelijk gemaakt. Nu is er ook weer een zoektocht aan voorafgegaan, voordat ik de Tovermolen kon plaatsen. Geen Grimm, Andersen of Perrault dit keer, nee het blijkt een Turks sprookje te zijn dat in een bewerking van Fakir Baykurt heb gelezen. Het sprookje heet Sakardja, de haan.

TovermolenSakardja, de haan is gebaseerd op het sprookje “de molen die alles kon” en gaat over onrecht en de onmacht en de berusting van de mensen in dit onrecht. De haan speelt hierin de rol van aanklager van het onrecht en tenslotte van martelaar voor het volk en als vredesduif zal hij na zijn dood in hun gedachten voortleven.

Er zijn in Turkije verschillende varianten van “de molen die als kon”, maar ook buiten Turkije blijkt het sprookje bekend te zijn. Als “het dappere haantje” staat het in de bundel Sprookjes van de Lage Landen (Amsterdam, 1972). In Frankrijk verscheen het sprookje in een andere versie, die weer in het Engels bewerkt werd en ook in het Nederlands. Herman van Veen liet zich er door inspireren voor zijn sprookje “Alfred Judokus Kwak”.

Het verhaal in het kort.
Er leefde “ergens” in een land een blind echtpaar: vrouw Emiesj en man Memiesj. Zij bezaten een piepklein molentje. Dit molentje was zo groot als een maiskolf, met messing aan de buitenkant en binnenin duizend en één handigheden. Dit molentje kon namelijk alles tevoorschijn toveren wat het echtpaar nodig had. En omdat ze blind waren was de molen eigenlijk hun steun en toeverlaat. Ze konden er niet van buiten.

Op een dag wordt de molen opgeëist door ene Heer de Greep, een overheerser en een egoïst. Iedereen is bang voor hem. De haan Sakardja wil het blinde echtpaar helpen, echter steun van de andere hanen en hennen, van de mensen uit het dorp krijgt hij niet. Hij wil het onrecht, nu het nog klein is de kop indrukken. Hij gaat dan maar alleen op pad.

Hij komt een vos, een wolf en een rivier tegen die hem allemaal willen opeten of verzwelgen. De haan weet hen te overtuigen van de noodzaak van zijn “missie”, stopt hen allemaal in zijn buik en vervolgt zijn weg naar het paleis. Daar aangekomen vraagt hij de Heer naar de molen, deze stopt hem echter bij zijn eigen hanen en hoopt zo Sakardja dood te laten pikken.

Sakardja laat nu de vos uit zijn buik komen en deze eet alle 40 hanen op. De Heer is woedend en stopt Sakardja bij zijn paarden, maar hier redt Sakardja zichzelf door de wolf uit zijn buik te halen, die alle paarden de halsslagader doorbijt. De vos en de wolf zijn beide door Sakardja terug naar huis gestuurd, zodat ze niet gedood zouden worden.

De Heer is woedend, laat een brandstapel maken en laat de haan er bovenop gooien. De haan laat het water van de rivier uit zijn bek stromen, waardoor het vuur geblust wordt. Onderwijl luid roepend “geef de molen terug”. De Heer is buiten zinnen van woede en laat een mes komen en snijdt daarmee de haan zijn nek door.

De ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders zijn ten einde raad. Ze vrezen Gods toorn en zien in Sakardja allang geen gewone haan meer. De haan wordt voor de maaltijd klaar gemaakt. De Heer nodigt gasten uit, die nauwelijks een hap door de keel krijgen. De Heer de Greep verslikt zich in een botje, geen enkele arts kan hem helpen.

Ten einde raad laat hij de molen door twee dienders terugbrengen naar het blinde echtpaar. De Heer krijgt de hik, er vliegt een zilverwitte vogel uit zijn keel en hij krijgt weer adem. De zilverwitte vogel vliegt naar de rivier, de wolf en de vos en met allemaal heeft ze een gesprek zonder woorden en zonder geluid.

Het blinde echtpaar is dolgelukkig met het molentje en laat een piepklein tuintje maken met een waterpoeltje erin. Ze laten een Plataan planten. Dit is een gedenkteken voor Sakardja en ze noemen hem “Sakardja’s Plataan”. Voor de zilverwitte vogel was het genoeg dat de pienteren hem vandaag de dag wel verstaan.

Marja Vugs

Tondeldoos

Een van de eerste straten linksaf in Blixembosch II en je bent in de Tondeldoos.

De tondeldoos is een sprookje van Hans Christian Andersen, een Deense schrijver die leefde van 1805 – 1875. Afkomstig uit een arm schoenmakersgezin werd hij na veel moeilijkheden de beroemdste schrijver van zijn land en een graag geziene gast bij de verschillende Europese koningen. Andersen schreef zelf verzonnen sprookjes de zogenaamde kunst- of cultuursprookjes.

Een tondeldoos is volgens van Dale’s woordenboek een doos met vuurslag en tondel om vuur te maken. Vuurslag is een stuk staal waarmee vonken uit een vuursteen geslagen kunnen worden. Tondel is een licht ontvlambare stof, bijvoorbeeld verkoold linnen, katoen of de hoed van een zwam soort (tonderzwam) eertijds gebruikt om vuur te maken, namelijk door er de vonk van een vuurslag op te laten springen.

Het sprookje DE TONDELDOOS verhaalt over een jonge berooide soldaat, die op weg van de oorlog naar huis, een heks tegenkomt die hem rijk kan maken. Hij moet daartoe afdalen in een holle boom tot tussen de wortels waar in drie open ruimten achtereenvolgens bronzen, zilveren en gouden muntstukken voor het grijpen liggen. Die mag hij meenemen op voorwaarde dat hij voor de heks een tondeldoos mee naar boven neemt. De muntstukken worden bewaakt door drie honden. Niet die van het gewone soort die loslopend uw kinderen de stuipen op het lijf jaagt of wiens baasje het prima vindt als hij (of zij) pal voor uw deur een flinke drol fabriceert. Nee, deze drie honden zijn sprookjes honden met ogen zo groot als theekopjes, molenstenen en kerktorens. En zij worden alleen kalm en mak als de schort van de heks op de grond wordt uitgespreid. De soldaat daalt af in de boom, vindt de honden, het geld en de tondeldoos en als hij weer bovengronds is beland, wil hij van de heks weten waartoe de tondeldoos dient. Omdat deze weigert het te zeggen, wordt haar hoofd met een klap van haar romp gescheiden. Zo gaat dat in sprookjes.

De soldaat is nu een rijk man en gaat naar de mooiste herberg, bestelt er de mooiste kamers, eet er het lekkerste eten en koopt de prachtigste kleren. Zoals in een dergelijke situatie wel meer gebeurt, heeft hij binnen de kortste keren een massa “vrienden”. Hij geeft veel geld weg aan arme mensen, want hij weet maar al te goed hoe afschuwelijk het is om geen geld te bezitten. Het duurt niet lang of hij heeft geen geld meer en verhuist naar een zolderkamertje en heeft ook ineens geen vrienden meer. Op een donkere avond doet hij de tondeldoos open, want hij herinnert zich dat daar een klein stompje kaars in zit. Op het moment dat hij met de vuurslag vonken uit de vuursteen slaat, vliegt de deur open en de hond met ogen zo groot als theekopjes stormt de kamer binnen en vraagt “Wat is er van uw dienst, meester?” Van zijn verbazing bekomen, bedenkt de soldaat dat hij kan vragen wat hij wil. Hij vraagt dus een zak goudstukken en is weer rijk.

Nu is er in het kasteel van de koning een prinses die heel mooi is. Niemand heeft haar ooit ontmoet, want ze wordt door haar ouders opgesloten in het kasteel. De soldaat is heel benieuwd en vraagt op een nacht aan een van de honden haar voor hem te halen. Dat gebeurt, de soldaat ziet een slapende prinses die zo mooi is dat hij onmiddellijk verliefd wordt. De prinses vertelt de volgende morgen een soortgelijke droom aan haar ouders. Deze vertrouwen de zaak niet en laten haar bewaken door eer hofdame. Als de hond de prinses de volgende nacht weer ophaalt, volgt ze de hond en de prinses en zet een kruis op de deur van het huis van de soldaat. Maar de hond is ook slim en zet op alle deuren een kruis. Nu weet men nog niet waar de prinses die nacht is geweest. De koningin is nog slimmer en naait een open zakje graankorreltjes aan haar dochters kleren vast. Zo leidt een spoor van graan naar het huis. De soldaat wordt gearresteerd en zal ter dood worden gebracht.

Via een schoenmakersleerling, die wel een paar stuivers wil verdienen, krijgt de soldaat zijn tondeldoos bij zich. Zijn laatste wens, een pijpje te mogen roken, wordt ingewilligd en de soldaat neemt zijn tondeldoos, slaat drie keer vuur, en plotseling komen de drie honden tevoorschijn. Ze nemen de rechter, het stadsbestuur, de koning en de koningin te grazen en gooien ze tientallen meters de lucht in, waarna ze in duizend stukjes uiteenvallen. Onmiddellijk wordt iedereen even vriendelijk en zien in de soldaat en de prinses hun nieuwe koning en koningin. Er volgt een bruiloft van wel een week en de honden, die aan tafel mee mogen eten zetten grote ogen op, zo groot als theekopjes, molenstenen en kerktorens!

Marja Vugs.

Reiskameraad

De Reiskameraad, een korte straat aan de zuidkant van Blixembosch II, genoemd naar het wat minder bekende sprookje van Hans Christian Andersen.

ReiskameraadHet verhaal begint met het overlijden van de vader van Johannes. Na de begrafenis trekt Johannes vol verwachting de wijde wereld in, uitgezwaaid door een klein kerkkaboutertje. De eerste nacht slaapt hij in het hooi, bezoekt de volgende morgen de ochtendmis (het was zondag) en maakt op het kerkhof de graven netjes en geeft een bedelaar kleingeld en trekt weer verder de wereld in.
‘s Avonds begint het te stormen en te bliksemen en hij schuilt in een kerkje en valt in slaap. Rond middernacht wordt hij wakker, het onweer is voorbij, en ziet midden in de kerk een open doodkist staan met een dode nog niet begraven man erin. Twee mensen willen het lijk uit de kist halen en het buiten de kerk gooien. De dode man is niet hun beste vriend: ze krijgen bovendien nog geld van hem. Johannes betaalt de schuld en legt de dode man netjes in de kist en vertrekt.

In een bos ziet hij elfjes dansen en springen en wanneer hij het bos uitkomt ontmoet hij een vreemdeling die samen met hem de wijde wereld in wil trekken. En zo reizen ze samen verder. Deze vreemdeling weet heel veel van de wereld en is heel wijs. Onderweg blijkt dat hij het gebroken been van een oude vrouw kan genezen met een zalfje. Hij doet dat in ruil voor drie bezems, gemaakt van varens en wilgentakken. ‘s Avonds kijken ze in een herberg naar een poppenspel. Een houten pop wordt door een hond de kop af gebeten en de reiskameraad bestrijkt de pop met de zalf en de pop wordt net een mens: hij kan uit zichzelf bewegen. De andere poppen worden verdrietig: ze willen ook kunnen bewegen en in ruil voor de grote sabel van de poppenspeler laat de reiskameraad nog meer poppen bewegen.

De volgende morgen trekken ze de bergen in en wanneer een prachtige witte zwaan, die hoog in de lucht de mooiste melodieën zingt, ineens voor hun voeten dood neervalt besluit de reiskameraad de grote witte vleugels af te hakken met zijn sabel en ze mee te nemen. Achter de bergen ligt een stad, waar een goede koning woont maar ook een mooie prinses met het karakter van een boze heks. Menig jonge man die in het verleden naar haar hand dong had het loodje gelegd. De jongeman moest drie raadsels oplossen die zij opgaf, dan zou zij met hem trouwen. Bij een negatief resultaat liet ze hem ophangen of onthoofden. De slottuin was een groot skeletten kerkhof.
Johannes ziet op een dag de mooie, boosaardige prinses en wordt op slag verliefd. Iedereen raadt hem af naar de prinses te gaan, maar hij heeft het volste vertrouwen in God, die zou hem wel helpen. De reiskameraad is heel bedroefd en ook in het hele stadje heerst droefenis.
De laatste avond voor de eerste vraag zal worden gesteld voert de reiskameraad Johannes dronken en legt hem op bed. Vervolgens bindt hij zichzelf de witte zwanenvleugels om en steekt de grootste bezem in zijn zak en vliegt naar het slot en verbergt zich onder het raam van de prinses. Opeens vliegt de prinses met zwarte vleugels uit haar raam in de richting van een grote berg. De reiskameraad gaat er achter aan nadat hij zich on­zichtbaar heeft gemaakt. Hij timmert met zijn bezem op de prinses, tot bloedens toe. De prinses denkt dat het hagelt! Bij de berg aangekomen klopt de prinses op de berg en die gaat open. De onzichtbare reiskameraad volgt haar. Binnenin is het een groot tapijt van spinnenkoppen, slangen, muizen, vleermuizen, wormen, sprinkhanen etc. Echt een ruimte waar een hedendaags mens op slag van zijn fobie zou zijn genezen! Midden in de ruimte zit een oude trol en deze geeft haar de gedachte die ze moet laten raden: ze moet denken aan haar schoen. Na afloop, als het hoofd is afgehakt, moet ze voor de trol de ogen meebrengen om op te eten. Op de terugweg wordt de prinses weer afgeranseld door de bezem van de reiskameraad. ‘s Morgens vraagt de reiskameraad aan Johannes vooral te vragen of de prinses soms aan haar schoen had gedacht. Hij zegt er niet bij waar hij dat gehoord heeft, hij zegt dat het een droom was. Johannes denkt dat God hem wel zal helpen. Inderdaad is het antwoord op haar vraag goed en hij heeft de eerste proef doorstaan. Iedereen is heel blij, behalve de prinses.

De tweede keer gaat het ook goed, alleen de prinses wordt nu door twee bezems afgeranseld. Johannes raadde dat ze aan haar handschoen dacht. De derde keer, de beslissende, vliegt de reiskameraad weer achter de prinses aan. Hij neemt nu drie bezems en zijn sabel mee. Hij ranselt haar nu zo erg af dat het bloed op de aarde druppelt. Bij de trol aangekomen wordt er gedanst en samen met de prinses vliegt de trol naar het slot. Nu worden ze allebei afgeranseld. Ze moet aan het hoofd van de trol denken, fluistert de trol haar nog gauw toe. Gelukkig hoort de onzichtbare reiskameraad het. Op het moment dat de trol terug wil vliegen, hakt de reis kameraad zijn hoofd af met de sabel, spoelt het met water af en bindt het in zijn zijden zakdoek en gaat slapen.. De volgende morgen geeft hij Johannes de zakdoek en zegt erbij dat hij die pas open moet maken zodra de prinses vraagt waar zij aan denkt. Op dat belangrijke moment doet hij de zakdoek open en het hoofd rolt eruit. De prinses zal zijn vrouw worden: hij heeft alle drie vragen tot een goed einde weten te brengen.

De prinses is echter nog steeds een heks en ze wil niets van Johannes weten. De reiskameraad wil hem helpen de betovering te verbreken. Johannes moet de prinses drie maal onderdompelen in water waaraan drie veren uit de zwanenvleugels en druppeltjes uit een flesje zijn toegevoegd. De prinses raakt bevrijd van haar betovering en is mooier dan ooit tevoren.

En de reiskameraad? Na de felicitaties t.g.v. het huwelijk vertelt hij wie hij eigenlijk is en waarom hij niet kan blijven. Hij is de dode in de kist waarvoor Johannes al zijn geld had weggegeven opdat de dode man zou rusten in vrede. De dode heeft zijn schuld aan Johannes betaald en zijn tijd is om. Hij verdwijnt net zo plotseling als hij was gekomen. De bruiloftsfeesten duren een maand en Johannes wordt koning en ze leefden nog lang en heel gelukkig.

Marja Vugs.

Oude Sultan

Sultan, de hond

In Blixembosch II ligt een straat waarbij je je voorstellingen maakt die totaal afwijken van wat oorspronkelijk de bedoeling is geweest. De straat de “oude Sultan” ligt dan wel in het uiterste oosten van de wijk, de naam doet ook zeer oosters aan, maar heeft niets te maken met een vorstelijk oosters per­soon.

De naam is de titel van een sprookje van de gebroeders Grimm die uit twee verhalen afkomstig uit Hessen en Paderbom één verhaaltje samenstelden. En het aldus verkregen sprookje gaat over een hond die Sultan heet.

Oude SultanDeze hond behoort toe aan een boer en het beest is al zeer oud en heeft al zijn tanden al verloren. Reden voor de boer om het beest af te maken. De hond hoort dit en vraagt zijn neef de wolf om raad. Deze stelt een “plan de cam­pagne” op en simuleert een babyroof, waarbij de hond als reddende en dap­pere babybewaker naar voren komt. De boer en boerin zijn vanzelfsprekend zeer dankbaar en laten de hond leven.

De wolf echter verwacht van de hond toch wel af en toe een oogluikend toegestaan schaaproofje, maar de hond blijft zijn baas trouw. De boer geeft de wolf er duchtig van langs. De wolf zint op wraak en wil het met zijn vriend het everzwijn uitvechten met de hond en zijn helper: een kat met drie poten.

Strompelend in het bos aangekomen, steekt de kat van pijn zijn staart in de lucht en daardoor denkt de wolf dat de kat een sabel bij zich draagt. In het hinkelen van de kat zien zij het oprapen van stenen om hen daarmee te besto­ken. Het zwijn vlucht de struiken in en de wolf springt de boom in.

Ter plekke aangekomen vindt de hond het maar vreemd dat er niemand te zien is, maar de kat ziet iets bewegen in de struiken en veronderstellend dat het een muis is springt hij er op af en bijt goed door. Het zwijn verraadt door angst gedreven de schuilplaats van de wolf. De wolf schaamt zich vreselijk en besluit vrede te sluiten met Sultan, de hond.

En het sprookje vermeldt het niet, maar ongetwijfeld leefden ze nog gelukkig maar waarschijnlijk niet meer zo lang.

Marja Vugs

Meesterdief

In Blixembosch II, tussen de Reiskam­eraad en de Gelaarsde Kat ligt een kleine straat: Meesterdief. Het sprookje meesterdief is afkomstig uit Thüringen en door de gebroeders Grimm opge­schreven als der Meisterdieb.

Meesterdief is de weggelopen zoon van een arme oude man en zijn vrouw. Na vele jaren komt hij terug bij zijn ouders. Hij is een voornaam uitziend en rijk man geworden. Dat komt omdat hij als dief in zijn levensonderhoud voorziet. Hij is echter geen gewone dief. Hij steelt niet van armen, hij steelt slechts de overvloed van de rijken. Arme mensen geeft hij liever iets. Bovendien is stelen voor hem een sport en alleen pas dan aantrekkelijk wanneer hij iets met veel moeite, list en bedrevenheid kan krijgen.

De graaf, op wiens landgoed de oude man woont, is de peetoom van de meesterdief. De meesterdief gaat hem dan ook bezoeken. Omdat hij petekind is wordt hij niet zoals andere dieven aan de galg ter dood gebracht, maar hij krijgt drie opdrachten om iets te stelen. Als hij deze opdrachten tot een goed einde brengt krijgt hij genade en is hij een vrij man.

De drie opdrachten zijn: het lievelings­paard van de graaf uit de stal stelen, het onderlaken van het bed en de trouwring van de gravin stelen terwijl de graaf en zijn vrouw dat niet mogen merken, en als derde opdracht de pastoor en de koster uit de kerk stelen.

MeesterdiefDe meesterdief steelt het paard door als oude vrouw vermomd de soldaten die het paard bewaken een mengsel van oude Hongaarse wijn en een sterke slaapdrank te geven. Het laken en de ring stelen vergt wat meer moeite maar het lukt de meesterdief ook deze keer. Hij laat een al dode man op zijn schouders omhoog gaan op de ladder die tegen het slaapkamerraam staat. De graaf vuurt met zijn pistool op de dode en in de veronderstelling dat het zijn petekind is begraaft hij het lijk. Ondertussen gaat de meesterdief naar de slaapkamer en ontfutselt de gravin het laken en haar trouwring door net te doen of hij de graaf is. Het laken zou moeten dienen om het lijk in te wikke­len en de ring om mee te geven in het graf. De derde en laatste diefstal, die van de van de pastoor en de koster lukt ook doordat hij als de heilige Petrus vermomd door middel van preken en kreeften met waskaarsjes op hun rug de gelovigen oproept dat het einde der tijden nabij is.

Aangezien de pastoor en de koster het dichtst bij hem zijn, komen zij als eerste in aanmerking voor de “reis naar de hemel”. In een zak brengt de meesterdief ze naar de duiventil en terwijl de pas­toor en koster zich verbeelden dat ze in de hemel zijn (het fladderen van de duiven wordt door de meesterdief uitgelegd als zijnde het slaan van de vleugels van de engelen) gaat hij naar de graaf. En deze moet toegeven dat zijn petekind een aartsdief is en het pleit gewonnen heeft.

De meesterdief neemt afscheid van zijn ouders en trekt de wijde wereld in en niemand heeft ooit nog iets van hem gehoord.

Marja Vugs

Kooltje vuur

Waarom bonen een zwarte naad hebben.

Uit mondelinge overleveringen is door de Gebroeders Grimm, twee beroemde taalgeleerden uit de tijd van de Romantiek die dertien jaar rondtrokken en oude sprookjes verzamelden en deze zo voor het nageslacht bewaarden, een sprookje opgetekend dat als oorspronkelijke titel had ‘Strohalm, Kohle und Bohne’ .

Niet alleen mensen en dieren horen bij sprookjes, maar ook planten en levenloze dingen. Daarvan is het sprookje ‘Strohalm, kooltje vuur en boontje’ een duidelijk voorbeeld.

In Blixembosch II is een kleine straat in het oostelijk gedeelte vereerd met de naam Kooltje vuur. Ingebed tussen woeste straatnamen als Wildeman, Oude Sultan en Dorstige smid heeft deze naam iets lieflijks, iets onschuldigs. Zo ook het sprookje:

Kooltje VuurEen arme oude vrouw wilde een maaltje bonen koken. Daarvoor had zij vuur nodig. Dat maakte zij aan in de haard met kolen en stro. Maar wat gebeurde er, zonder dat de vrouw het merkte? Er viel een boon naast de pan op de grond, naast een strohalm. Ook viel er een gloeiend kooltje uit de haard. Ze vertelden aan elkaar waar ze vandaan kwamen en aan welk gevaar ze ternauwernood waren ontsnapt: het kooltje zou tot as verbrand zijn. De boon zou tot moes gekookt zijn. De strohalm zou zijn omgekomen in vuur en rook.

Nu ze aan de dood ontsnapt waren, besloten ze als goede vrienden bij elkaar te blijven en weg te trekken naar een nieuw land. Ze kwamen bij een beek, maar er was geen brug. De strohalm besloot als brug te fungeren door zich van oever tot oever uit te strekken. Het kooltje, aanvankelijk heel stoutmoedig, werd halverwege zo bang dat hij stil bleef staan en niet meer verder durfde. Het kooltje was nog zo heet dat de strohalm vlam vatte, in tweeën brak en in de beek viel. Het kooltje viel er achteraan, siste in het water en gaf de geest. De boon, die nog aan de kant stond, moest heel hard lachen. Maar, ‘boontje komt om zijn loontje’, de boon barstte letterlijk van het lachen. Toen was het ook met hem gedaan.

Gelukkig voor hem zat er echter een kleermaker aan de beek. Deze haalde naald en draad te voorschijn en naaide de boon weer aan elkaar. De boon bedankte hem hartelijk en ging verder door het leven met een zwarte draad. De kleermaker had namelijk zwart garen gebruikt. Sindsdien hebben alle bonen een zwarte naad.

Zo eindigt dit sprookje en vanavond eten wij boontjes met een groene naad, zonder draad, gehaald op de markt bij Jantje.
Zal hij bedenkelijk kijken als ik om bonen met een zwarte naad vraag. Hij zal vast denken ‘wat een rare snijboon!’

Marja Vugs

Gelaarsde kat

Een straat in Blixembosch II is genoemd naar het sprookje: ‘de gelaarsde kat’.

Velen onder ons zullen het sprookje kennen. Het is opgeschreven door Charles Perrault en wordt ook wel eens de meesterkat genoemd. Charles Perrault was een Franse schrijver uit de 17e eeuw, die verhalen verzamelde en ze bundelde in ‘de sprookjes van moeder de Gans’, de bekendste sprookjesbundel waarin onder meer Roodkapje, Assepoester, Klein Duimpje en Blauwbaard staan.

De gelaarsde kat begint in het verhaal als een doodgewone kat en is onderdeel van een erfenis, die een molenaar aan zijn zoon nalaat bij zijn dood. De jongste zoon krijgt de kat en is daar niet echt blij mee. Dat verandert als de kat hem vraagt om een zak en een paar laarzen en hem belooft te helpen een rijk man te worden. De kat was altijd al een expert geweest in het ‘dood liggen’ en op die manier kon hij konijntjes, patrijzen enz. vangen.

Hij bedacht een naam voor zijn meester, hij noemde hem de markies van Carabas, en bood uit naam van zijn meester het gevangen wild aan de koning aan. Dat ging zo een paar maanden door. Hij ontving er zelfs wat geld voor en de koning was heel blij met de attenties.

Op een dag ging de koning met zijn knappe dochter uit rijden. De molenaarszoon moest van de kat net doen of hij bijna verdronk op het moment dat de koning en de prinses langskwamen. De koning herkende de kat, hielp de zogenaamde markies op het droge, gaf hem kleren en bood de molenaarszoon een ritje in de koets aan. De gelaarsde kat liep vooruit en zorgde ervoor dat de arbeiders die op het land aan het werk waren tegen de koning zeiden, dat het land toebehoorde aan de ‘markies’. Zelfs het prachtige kasteel dat van een rijke menseneter was, wist de kat in eigendom te krijgen. En de koning die overdonderd was door de vermeende rijkdom van de ‘markies’, bood hem het schoonzoonschap aan.

De knappe prinses had daar wel oren naar, want ze was tot over diezelfde oren verliefd op die knappe nepmarkies. De bruiloft vond diezelfde dag nog plaats en de kat…. de kat werd een groot heer, die alleen nog op muizen joeg als hij echt zin had.

Marja Vugs Blixemflitsen! december 1993

Eenoogje

Een, twee of drie oogjes?

Wij mensen beschikken over het algemeen, enkele uitzonderingen daargelaten, over twee ogen. Kennelijk heeft dat de verhalenvertellers in het verleden geïnspireerd tot het bizarre verhaal over drie zusjes met respectievelijk één, twee en of dat niet genoeg was, drie ogen. En wie denkt dat de één- en drie-ogige slecht af waren, komt bedrogen uit.

Nee, de twee-ogige had het flink te verduren: een soort Assepoester onder de ogigen zal ik maar zeggen. We kennen het verschijnsel één/meerogig ook van elders: Odin had één oog en ook Poliphemus in de Odysseus-sage had één oog. Jupiter schijnt drie ogen gehad te hebben. Er is dus niets nieuws onder de zon.

Maar wat is nou het vreemde :
Het sprookje waar het in dit verhaal om gaat heeft als titel: “Een-oogje, Twee-oogje en Drie-oogje”. De straat waar het in Blixembosch om gaat heet Een-oogje.

Navraag bij de ‘straatnaamverzinners’ van de gemeente leerde me dat vanwege de lengte van de titel van het sprookje gekozen was voor alleen “Een-oogje”.

EenoogjeEnfin, het sprookje E-,T-,D-oogje opgeschreven door de broeders Grimm, handelt over drie zusjes met respectievelijk één enz. ogen. Worden in bedroevend veel landen mensen gediscrimineerd omdat ze ‘anders’ zijn, in het sprookje is het twee-ogige zusje de klos omdat ze met haar twee ogen ‘niet beter is dan het gewone volk’ en daarom wordt ze als uitgestotene behandeld.

Ze krijgt nauwelijks te eten, slechts het overschot mag ze hebben, ze krijgt oude kleren en wordt voortdurend van de ene hoek naar de andere geduwd. Totdat een vrouw (een soort goede fee) zich over haar ontfermt en haar een toverspreuk leert welke ze over haar geit moet uitspreken elke keer als ze honger heeft. Sindsdien heeft ze iedere keer een rijkelijk gedekte tafel tot haar beschikking.

Als haar familie achter haar geheim komt wordt de geit geslacht. De vrouw help haar wederom via een prachtige boom met zilveren bladeren en gouden appels. Alleen Twee-oogje kan ze plukken maar ze wordt uit jaloezie nog hardvochtiger dan ooit behandeld.

Tot de dag dat een knappe (altijd!) jonge ridder langs de boom komt en er graag een tak van wil hebben. Niemand anders dan Twee-oogje kan hem die geven.

Ze wordt beloond: ze mag mee naar het vaderlijk slot, alwaar natuurlijk weldra een bruiloft wordt gevierd. En de boom? De boom staat de volgende morgen voor de nieuwe kamer van Twee-oogje. Hij was haar dus gevolgd! Je zou kunnen zeggen dat Twee-oogje de centrale figuur is in dit sprookje.

Eigenlijk zou de straat dus Twee-oogje moeten heten. Maar daar hebben we in Eindhoven de speciale straatnamencommissie voor. Deze commissie kiest de naam uit en legt ze voor aan Burgemeester en Wethouders, die de uiteindelijke beslissing nemen.

Bijna was voor Blixembosch II de keuze wat betreft de straatnamen gevallen op mineralen, maar om verwarring met edelstenen te voorkomen is gekozen voor sprookjesnamen.

Het was destijds een idee van een bewoner uit Eindhoven. U kunt binnen het kader van sprookjesnamen ook uw steentje bijdragen aan de verdere totstandkoming van de straatnamen in Blixembosch II. Tot nu toe zijn oude sprookjes gebruikt. Er valt te denken aan modernere sprookjes, die zijn nog niet vertegenwoordigd.

Heeft u ideeën en suggesties, dan kunt u die opsturen naar: Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eindhoven ter attentie van de straatnamencommissie.
Vanaf de scholen heeft u nog redelijk ‘carte blanche’, dus doe uw best!

Met nóg een oogje, het zogenaamde knipoogje groet ik u.
Marja Vugs, Blixemflitsen! oktober 1993

Naschrift, september 2003 :
Oorspronkelijk was het inderdaad de bedoeling dat Blixembosch II volledig als Sprookjesbuurt zou worden gerealiseerd.
Door veranderde woningbehoeften en gemeentelijk beleid is het restant van Blixembosch II als landenbuurten (Engelse, Italiaanse, Franse en Amerikaanse buurt) ingericht. Breek je hoofd dus maar niet meer over nieuwe sprookjesstraatnamen.
De straatnamencommissie zit er ondertussen niet echt meer op te wachten…